Post Tagged ‘recensie’

h1

Bloc Party – Intimacy

6 november, 2008

Bloc Party - Intimacy

Bloc Party is héél snel héél groot geworden. Toen ik als zestienjarige knaap op Werchter in de Marquee stond, met mijn broek vol modder en mijn haar vol frietvet, was de band voor mij al meer dan de ‘grijze massa’ die er sinds lange tijd bestaat in Groot-Brittanië. Ze rijden weliswaar allen gewillig mee op de golven der herwaarding van de post-punkbeweging en dan vooral onder invloed van een band als The Strokes of The Libertines , die een invloedrijke, frisse maar verdomd krachtige wind over het Britse eiland lieten waaien, en Bloc Party was een van die weinige bands die echt het verschil kon maken, zo bleek. Hoe kon je ook niet van hen houden? Helicopter en Banquet waren nummers die je maag overhoop gooiden, This Modern Love en So Here We Are raakten je, al was het door de tekst, als een storm van zachtheid, in het oog van een orkaan genaamd Silent Alarm, en het magistrale Pioneers maakte het album op zich essentieel voor elke rockziel in 2005. Doe daar wat sterke live concerten bij en de adoratiefactor van zanger Kele en Bloc Party werd groot voor ze het echt goed beseften.

De tijden zijn echter veranderd: de band is zich bewust van hun status en is intussen bezig met zichzelf te herontdekken, met hun fans een andere kant te laten zien. In tegenstelling tot het verleden proberen meer en meer bands zichzelf te vernieuwen, te experimenteren, al was het maar om het allemaal wat interessant te houden. Want welke band wil tegenwoordig 30 jaar exact dezelfde muziek maken. Het enige waarvoor ik vreesde, net als vele anderen, is de nieuwe richting die Bloc Party zou uitstippelen. ‘Flux’ was een voorbode voor wat komen zou en velen vreesden een kitscherig electrorockexperiment dat kwalitatief Silent Alarm nooit kon evenaren. Een paar maanden later was het zover: Intimacy.

Terwijl Flux nog een aangename single was en de gitaren naar het einde van het nummer als een pijl door mijn hart schoten en me zin deden kregen in een moderne post-rockplaat, zo was het bij Mercuy, de single die Intimacy voorafging, helemaal anders. Het klonk nog minder als de Bloc Party die we kenden en hoewel ik dat had verwacht, kon het nummer nooit groeien. Het klonk als een hutsepot van ideeën dat resulteerde in een irritante single die me weinig tot niets deed. Als ik high ben zou ik me er misschien rot op amuseren, maar op zich klonk de single niet al te best.

De plaat is in de pers vaak vergeleken met de waanzinnige ommezwaai getiteld Kid A door Radiohead, maar zo ver gaat Bloc Party écht niet, net als Coldplay vroeger dit jaar trouwens. De band behoudt zijn fundamenten maar giet eerder een elektronische saus over z’n gepeperd vlees dat een band als Goose wel zou kunnen smaken. Dat kan je gemakkelijk staven met nummers als ‘Halo’ en ‘One Month Off’: beiden zijn rocksongs die de populaire singles van Silent Alarm of een nummers als Hunting for Witches achterna gaan, hetzij met iets minder verve. De hoekige gitaarriffs zijn er nog steeds, ze worden gewoon wat anders uitgewerkt, klinken rauw en sommigen zouden zelfs zeggen ‘ondergeproducet’ of onafgewerkt. Je kan je de vraag stellen of de band niet te snel met een nieuw album is komen opdraven en ze niet beter gebroed hadden op andere nummers, maar zoals reeds gezegd: ze wilden het fris houden, en als bands als The Smiths en The Beatles het kunnen moet ons dat ook lukken, zullen ze gedacht hebben.

Het grootste probleem, voor mij persoonlijk, is het tekort aan sfeer na ‘A Weekend in the City’, dat sinds de release quasi de cultstatus bereikt heeft. Minder geliefd dan Silent Alarm, maar met overschot het meest pakkende, sfeervolle en bijna dramatische album van hen. Het album was verfijnd, dromerig, geïnspireerd, volwassen en was de Bloc Party waar ik ze wou hebben, met nummers als ‘I Still Remember’, ‘Sunday’ en ‘SRXT’, waar zelfs Liam Gallagher een kwartier als een kind door ligt te wenen in bed. ‘Intimacy’ heeft weinig gelijkaardige momenten, behalve met Signs, met overschot het beste nummer van het album. Het nummer is een regelrechte dromerige tranentrekker. “At your funeral I was so upset. So upset, so upset. In your life you were larger than this. Statue-statuesque.” Noem de lyrics zielig, het klinkt 100% gemeend en gaat door merg en been. Het kippenvelmoment van de plaat.

De volledige tweede helft van de plaat is eigenlijk stukken beter dan de teleurstellende eerste, ondanks het dreigend mooie en verrassende begin van Ares. Kele blijft een heerlijke stem hebben, al komt die spijtig genoeg wat minder uit de verf en zijn de eerste 4-5 nummers, ondanks de catchy beats en hoekige gitaarriffs niet overtuigend genoeg naar de normen die Bloc Party zichzelf ooit oplegde. De tweede helft is dus beter, met het toegevoegde Talons, dat wel beter het midden weet te houden tussen de oude en de nieuwe Bloc Party. “And when it comes it will feel like a kiss.” Er gaat een zekere dreiging uit van het nummer, zowel tekstueel als instrumentaal, en tilt het album, samen met Better than Heaven, naar een hoger niveau. Die laatste lijkt op zich niet zo speciaal, was het niet dat de laatste minuut het nummer tot tweede hoogtepunt kroont. Lissack op zijn best, met een slepende gitaar die stilaan naar een ontwapenende climax bouwt.

“War, war, war, war” zijn de eerste woorden van Kele op Intimacy, al interpreteer je het aanvankelijk eerder als “Wow, wow, wow, wow.” De eerste luisterbeurt is een regelrechte mokerslag en zet je als luisteraar terug op je plaats. Je krijgt enkel zin om het een paar keer te herbeluisteren en de nieuwe richting van Bloc Party te leren appreciëren, hoewel ik het er tot op vandaag nog steeds moeilijk mee heb. Het klinkt beter na zekere tijd, dat niet, maar overtuigt me en raakt me nog steeds niet in de mate dat A Weekend in the City dat wel deed. En ik ben niet de enige die twijfelt of Bloc Party de juiste weg is ingeslagen. Maar kunnen we ze het kwalijk nemen? Waarschijnlijk niet. Het album raakt stilaan verteerd en de hoogtepunten doen je vaak teruggrijpen naar het album, en als dat niet lukt kan je nog steeds op de dansvloer gaan staan met grote delen van de rest van het album. Nu nog horen hoe alles live klinkt in de AB, en dat de dag voor Valentijn. Wie weet is de liefde dan compleet herwonnen en schrijf ik hen een poëtische liefdesverklaring?

Verdict: 6,6/10

h1

Panic at the Disco – Pretty. Odd.

25 maart, 2008

Pretty. Odd.

“Oh, how it’s been so long
We’re so sorry we’ve been gone
We were busy writing songs for
you!”

Zo verwelkomen de fanfareknapen en emorockers van ‘Panic At The Disco’ ons op het geluid van hun nieuwe album: ‘Pretty. Odd.’. Of mag ik hen zo niet meer beschrijven? Ze hebben hun uitroepteken laten vallen, om duidelijk te maken dat ze grote jongens geworden zijn en nu ‘serieuze’ muziek maken. Kunnen we ze serieus nemen? Nog steeds niet, al is de muziek wel geëvolueerd. Vanaf het eerste nummer had ik door dat ik niet naar een tweede ‘A Fever’ aan het luisteren was. En maar goed ook. Dat album had zijn charmes en enkele sterke nummers, maar na drie jaar had ik maar weinig zin in een kopie. En zo zit ik klaar voor wat waarschijnlijk terug een van de meest controversiële platen van het jaar moet worden.

De onvermijdelijke eerste single doet ons nog het meest denken aan ‘A Fever You Can’t Sweat Out’. Het nummer zit er van de eerste zin knal op en zal ongetwijfeld oude tienerfans behagen, met een catchy refrein en het gekende meezinggehalte. De clip toont Urie op zijn schattigst in pyjama en mondt uit in een circusensemble die de straten onveilig maakt. Je krijgt zin om de rest van het album te luisteren, al was ik er achteraf van overtuigd dat het nummer het enige is met een groot hitpotentieel. ‘She’s a handsome woman’ begint met een aanstekelijk gitaarrif die een band als ‘Hard-Fi’ graag zelf had geschreven. Het is een van de mooiste nummers op het album, zeker qua melodie, en Urie’s stem klinkt op zijn best. Een gematigde rocker van formaat met singleallures. Het album blijft boeien met ‘Do You Know What I’m Seeing?’. Met een dreigende intro begeeft het nummer zich al snel op het gebied van ‘The Smiths’. Het benadert qua gevoelswaarde veel nummers van hen als ‘Heaven Knows I’m Miserable Now’ of ‘Girlfriend in a Coma’, en ergens wens je dat Morrissey kon inpikken om het refrein te zingen dat hij had kunnen geschreven hebben. Het nummer typeert het album: pakken minder explosief.

‘I Have Friends In Holy Places’ klinkt als een combinatie van Ricky Martin en Johnny Cash na iets te veel scotch en vooral de outtro valt op, die het volgende resem aan dromerige ballades inluidt. Die eerste is het lyrisch sterke ‘Northern Downpour’ en is eigenlijk meteen de beste. Het ademt ergens de sfeer van een nummer à la ‘Hey There Delilah’. Ook hier klinkt Urie goed en zelfverzekerd, alsof hij al altijd zulke nummers wilde maken maar nog niet kon of niet durfde. Het nummer is, net als vele andere verder op het album, een regelrechte stijlbreuk met het eerste album. Het uitroepteken mag dan verdwenen zijn, als je luistert wordt het nog duidelijker waarom. Het album heeft niet hetzelfde snelle tempo als hun eerste en mist wat kracht en meezingbaarheid. De band is er blijkbaar toch in geslaagd uit te zweten. ‘Pas de Cheval’ heeft nog wel iets catchy in zich, en de korte gitaarsolo naar het einde van het nummer doet deugd, maar het tweede deel van het album is ronduit te matig om echt nog met volle aandacht te luisteren. Het album duurt eigenlijk iets te lang, en nummers als ‘The Piano Knows Something I Don’t Know’ en ‘She Had The World’ hadden beter als b-sides gediend, om zo het album wat korter en meer verteerbaar te maken.

Eigenlijk kan het album het best omschreven worden als een flashback naar de jaren ’60. Het klinkt als een kitscherig aftreksel van ‘The Beatles’. Een nummer als ‘Behind the Sea’ verwijst zo duidelijk naar de psychedelische pop van de grootste band aller tijden dat zelfs mijn moeder dat zou kunnen opmerken. ‘From A Mountain In The Middle Of The Cabins’ is nog zo’n voorbeeld, die ons tenslotte bij het laatste nummer, ‘Mad as Rabbits’, brengt. Een opluchting. Het nummer begint met blazers die doen denken aan ‘There’s A Good Reason…’ maar wat minder uptempo. De gitaren dwepen op de achtergrond en het is goed dat ook Ryan de kans heeft gekregen als zanger, want hij klinkt, zeker samen met Brandon, erg sterk.

Dit album zal hoogstwaarschijnlijk meer mensen behagen dan ‘A Fever’. Tussen de puberale meisjes met eyeliner staan nu misschien ook wat dertigers en veertigers die tegen elkaar met enig gevoel van nostalgie en gefronste wenkbrauwen ‘The Beatles hebben toch een gigantische invloed gehad, he’ fluisteren. Het album, zeker de eerste vijf nummers, is eigenlijk niet slecht, al duurt het wat lang en luister ik ook met een zeker gevoel van nostalgie. Een dubbel gevoel, want wat kon ik ook genieten van een nummer als ‘Build God, Then We’ll Talk’, dat hier duidelijk niet opstaat.  Maar ach, de band is uitgezweet, en velen zullen daar niet om malen.

Verdict: 6,0/10