Archief voor de ‘Dagboek’ Categorie

h1

De weg naar Rome.

17 oktober, 2008

Gevoelens kunnen speciaal zijn. Sommige ervan maakte je al meermaals mee in je leven en zijn bekend, maar toch nog ‘fris’ genoeg op het moment zelf dat ze speciaal blijven: kriebels in je buik, doldwaze verliefdheid (al dan niet op het eerste gezicht), innige vriendschap, opluchting of wederzijds begrip. Pure melancholie aan de andere kant, het ondraaglijke gevoel van onmacht, van wereldvreemdheid. Al deze gevoelens maken het leven interessant, en maken je misschien ook wel echt tot een mens van vlees en bloed.

Er zijn echter ook onbeschrijfbare gevoelens. Gevoelens die je niet kan plaatsen. Het was ’s avonds, vrij laat waarschijnlijk, op de enige plek in Kortrijk waar je nog iets van leven kon bemerken. Enkele meters daar vandaan, aan de rand van de fontein waarvan het water nog steeds lichtjes roze kleurde. Zoiets noemen ze kunst. Artistiek kunnen omgaan met basismiddelen, met de essentie van alle leven. Esthetisch verantwoord.

En toen stelde ik haar de vraag, in een moment van nieuwsgierigheid en vertwijfeling.

“He, heb jij soms ook dat gevoel?”
“Welk gevoel?”

Veel kon ik op dat moment niet verzinnen. “Ik kan het moeilijk uitleggen.” Maar ik probeerde het toch. “Het is alsof… de hele wereld en het hele hemelgewelf op je schouders rust en het toch vederlicht aanvoelt. Alsof je het gevoel hebt dat je echt deel uitmaakt van deze wereld en toch niet bent. Alsof je je 100% verbonden voelt met ‘het alles’, met de wereld en het heelal. Het lijkt bijna metafysisch, alsof je je neerlegt bij de mysteries van deze wereld en er respect voor hebt. Alsof je verdomd dankbaar bent dat je er deel uitmaakt en het je aan de andere kant ook niet echt gelukkig maakt. Een dubbel gevoel, misschien wel drie- of vierdubbel. Een gevoel dat je tot tranen toe brengt terwijl je helemaal niet goed weet waarom. Tranen om bij te glimlachen. Een soort onbeschrijfbaar inzicht, een moment waarop je je speciaal voelt en geniet van alles dat rondom je gebeurt.”

De laatste maanden heb ik me een paar keer zo gevoeld, en dat was quasi steeds ’s nachts; ’s nachts, en buiten. Als ik onder een zwarte hemel alleen tussen braakliggende akkers fiets of doorheen grijze, vervuile straten van de stad wandel. Het gevoel is nooit hetzelfde, maar het benadert wel steeds het ’speciale’ dat ik de eerste keer ook voelde. Een keer toen ik voor de zoveelste keer te laat was voor een hoorcollega en op een verlaten trap van de bioscoop gefascineerd naar een webspinnende spin zat te staren. Een keer kijkend naar de televisie, tijdens een filmscène die ontroerend en toch hartverwarmend was. Een keer het groen in andermans tuin bewonderd, en hoe de wind er zich een weg door baande. Terwijl zij zat te huilen en ik naast haar zat. En die eerste keer, die ik me weet te herinneren tenminste, was toen ik ’s nachts naar huis fietste. De regen viel met bakken uit te lucht en ik kon gewoon niets anders doen dan ervan genieten. Hier en daar wat licht, een smal pad tussen de akkers en het plaatje was af. Ik had plots zoveel om naar te kijken, liet elk spatje regen op me vallen en kreeg ‘dat gevoel’. Het kon me ook niet meer schelen waar ik heen fietste, of ik de weg vond of verloren reed. Elke weg was goed die nacht. Ik reed naar mijn ‘Rome’, hoewel ik intussen Rome nog altijd niet gezien heb. Ach, de toekomst en de wijde wereld ligt nog voor ons.

h1

(Z)onder stroom.

29 augustus, 2008

Wat zou de wereld zijn zonder de miljarden tonnen MEGAWATT die de mensheid dagelijks tot zijn beschikking heeft en met veel gulzigheid opgebruikt (Waarschijnlijk maak ik hier nu een blunder qua eenheid, aangezien ik gehoord heb dat je geen elektrische stroom maar wel energie verbruikt bij het aansteken van een lamp of het spelen met je X-Box)?

Megawatt, kilojoule, milliampère, hectare per inwoner…

Dit is gelukkig geen wetenschappelijk betoog of een moralistisch essay van een Greenpeaceactivist; bijgevolg zal ik me geen zorgen maken over de eenheid en gewoon een antwoord geven op de prangende vraag waarmee ik dit ‘schrijfsel’ (wat haat ik dat woord) begon. Het antwoord is thans simpel: NIETS.

Geen koude pizza van de avond ervoor om op te warmen in de microgolf bij gebrek aan ontbijt na een te zware nacht vol drugs en een flinke schep decadentie. Geen fris pilsje meer op een hete zomerdag maar een warm brouwsel dat meer lijkt op urine dan de kleur van limonade uit de Aldi. Geen World of Warcraft meer voor de miljoenen freaks die al in maanden geen vijf minuten meer met hun ouders in de zetel gezeten hebben om van een aflevering van ‘Desperate Housewives’ te genieten (Toch één positief punt, dan). Geen werkende jacuzzi’s meer in Dubai (of je moet de hele tijd in het rond spartelen en scheten laten, maar dat zie ik al die Arabieren niet direct doen, en al zeker niet na een vijftal pita’s). Geen lichtshows en versterkers meer bij festivals maar slechts één akoestisch gitaartje, omringd door een cirkel geïnteresseerden. Geen hypermodern gsm-toestel meer om één van je fuckbuddy’s uit te nodigen op het moment dat je ouders een weekendje in de Ardennen vertoeven en jij voor de zoveelste keer droog staat (of juist helemaal niet).

Laten we het daarom allen uitschreeuwen: REVOLUTIE!

Terug naar het gasvuur, de koffiemolen, de stoomtrein, de kaarsen, het kaartspel en de vinger (ja, dat is een doordenker).

Of nee, toch maar niet. Het is een schok te beseffen hoe afhankelijk je bent van elektriciteit eenmaal die plots uitvalt en zo alles rondom je lam ligt. Ik werkte sinds een drietal weken in het hoofdkantoor van Fortis in Kortrijk.

En plots stond ik onder stroom. En het hele kantoor zonder.

Enkele doemscenario’s kwamen spontaan in me op; ik ben namelijk een grote fan van de Amerikaanse actieserie 24. Dan flitst er een scène door je hoofd waarin gemaskerde beren van venten met semiautomatische wapens het kantoor binnendringen en je verplichten al het geld uit je kas te halen om het hen mee te geven in een bruine, stoffen zak. Ik vermande me en kon me net weerhouden onder mijn bureau te kruipen om er in een hoekje in doodsangst al rillend te wachten op de redding door ‘den Eddy’, de beste wijkagent in eeuwen. “Doe in godsnaam normaal,” zei ik tegen mezelf, en mezelf Jack Bauer wanend ging ik van mijn bureaustoel om te zien wat er aan de hand was. Het lag echter voor de hand: Kortrijk is in de laatste jaren veranderd in een modderige, miezerige bouwwerf en misschien had een arbeider per ongeluk zijn geopende thermoskan vol tomatensoep laten vallen op een bloot liggende elektriciteitskabel.

En plots kwamen er meer en meer mensen buiten, elkaar aankijkend met een ‘wat gebeurt er allemaal?’-blik. Een kwartier later wist iedereen het. Enkele winkelbediendes ijsbeerden heen en weer voor hun winkel, een ober profiteerde ervan om een sigaret op te steken, een andere probeerde tevergeefs het licht weer aan te schakelen of zijn of haar kassa te openen. Ik stak een sigaret op, nam mijn fiets en ging, gerustgesteld en tevreden, een halfuurtje vroeger naar huis. De kantoordirecteur sprak me voor ik vertrok nog even toe: “Voor 13u30 zullen we de bank zeker niet meer kunnen openen.” En uiteraard had ik daar geen enkel probleem mee. Ook al moet ik toegeven dat ik er graag gewerkt hebben. Afwisselend, fijne collega’s, sociaal contact en af en toe een heerlijke tas koffie van Senseo. Veel jobstudenten hebben het iets minder, neem ik aan. (vandaar het tikkeltje sponsoring bovenaan dit bericht; mocht wel.)

Nu nog hopen dat Kortrijk geen zoveelste stroompanne kent tijdens de grote slotshow van Fata Morgana, of De Clerck krijgt de VRT op zijn dak en daarenboven zouden we geen ‘guldensterrenstad’ meer zijn maar een verliezende stad (zoals het opschrift op de muur geplaatst door kansarmen, gefrustreerden, communisten of anarchisten) wiens reputatie weer een deuk zou krijgen. En we krijgen nu al de al dan niet serieuze verwijten in de trant van ‘onderontwikkelde boeren’. Om nog maar te zwijgen van onze bijnaam: ‘Het Texas van Vlaanderen.’

Yeah, I’m a cowboy. And i like it.

h1

Gewoon ‘ongewoon’.

20 juni, 2008

Iedere stad heeft zo zijn eigen mensen, zijn eigen gewoontes en dus ook zijn eigen sfeer. En dat voel je vooral in een stad die zo’n 130 kilometer van je verwijderd is. Maar voor de liefde verlegt een mens graag zijn grenzen, en in voorbereiding van mijn examens had ik nood aan een namiddag vol zachte lippen, ingefluisterde liefdesverklaringen en puberale opwinding.

Ik was in Leuven, en ik was verdomd blij dat ik er geraakt was. Want daaraan had ik eerlijk gezegd enorm getwijfeld. Voor een keer was ik op tijd opgestaan en was ik op tijd in het station geraakt om mijn te duur ticket te kopen en op de trein te springen. De treinen reden vandaag dus wel, en ik was op tijd, dus er kon niets fout lopen. Of toch? Door ‘werken’ (en ik heb daar al slechte ervaringen mee aangezien ze in mijn thuisstad ook niets anders doen dan ‘werken’) had de trein een vertraging van een halfuurtje, waardoor ik het landschap tussen Gent en Brussel nog nooit zo gedetailleerd heb kunnen bestuderen en aanschouwen.

Een ding wou ik zeker niet: ‘Sex and the city’. Mensen kunnen me misschien een janet vinden, maar dat gaat echt wel te ver. Dan maar een film waarvan ik de titel en de inhoud nu al vergeten ben. Twee dingen weet ik nog: dat ik op bepaalde momenten enorm hard gelachen heb, en dat er meisjes naast me zaten die lachten met mijn accent. ‘Den elletric’. Toch overduidelijk wat dat betekent? En dan was er nog mijn aantreden in de panos. ‘Twee choclakoekn’. ‘Wat, twee appelflappen?’ Ofwel heeft heel Leuven een appelfetisj, ofwel zitten hun oren volgestouwd met vet.

Na de film, waarvan ik een halfuur gemist, omdat iemand naast me het nodig vond me op te geilen gingen we op weg naar het station. Geen wonder dat ik me quasi niets van de films herinner. Hoeft ook niet, ik vond de combinatie van de twee overheersende beelden die dag aangenaam. Dus, de Bondgenotenlaan voor de vijfenzestigste keer, tot we in het station waren, het begin van het einde.

Een nogal uitgewaaid type, ongetwijfeld afkomstig uit een van de maghreblanden, zat me constant aan te gapen, afgewisseld met blikken van ‘ik wil je.’ Meestal zou ik nooit uitpakken met zo’n praat, maar geloof me dat dit een uniek voorval is en ik nog nooit het voorstel heb gekregen om in Brussel van bil te gaan. Want dat vroeg hij, in het Frans. Hij had vast een tocht gemaakt doorheen ‘het land waar alles mogelijk is’. Hij stond waarschijnlijk al uren rond te cirkelen, op zoek naar een fuckbuddy om de avond mee door te brengen. Ben vond me te diplomatisch. Hij vroeg me ‘Tu ne veux pas y aller avec moi? Je connais des clubs de gays et des saunas’. Ik antwoordde : ‘Et ils sont tous nus là bas ?’ waarna ik hem diplomatisch afscheepte door te zeggen dat ik samen was met Ben, die naast me stond. We liepen weg en Ben begon paniekerig te schreeuwen. ‘Nog vijf seconden en ik had in zijn kloten gestampt’. Heerlijk, die Brabantse arrogantie en brutaalheid, al ben ik blij dat ik voor de zachte aanpak gegaan was. ‘Moet ik nu niet gevleid zijn?’ dacht ik maar ik zei het niet aangezien hij non-stop aan het freaken was en het woord ‘pedo’ in de mond nam. ‘In de mond nam’, moet die kerel ook gedacht hebben. Niet vanavond, schat, en zeker niet met mij. Sorry, en succes nog.

Daarmee was de kous nog niet af. Natuurlijk had ik toen mijn trein al gemist, en ook mijn volgende zou ik missen, om op de oude markt in het rockcafé lastig gevallen te worden door een vent die zodanig dronken was dat hij het verschil tussen het Atomium en de Eifeltoren nooit meer zou opmerken. Hij vond Ben lekker, maar stelde niet voor elkaar af te zuigen in een sauna in Brussel. Gelukkig maar, of ik had zijn pils afgenomen, de klootzak. Hij werd op straat gegooid en op zo’n moment dacht ik echt van ‘wat doe ik hier in godsnaam nog?’ Ik kon het nauwelijks nog aanzien. ‘Kom Ben, we gaan.’ En dat deden we, terug op weg naar het station, wederom doorheen de Bondgenotenlaan.

Je kan veel zeggen, maar het was op z’n minst en avontuur, en dat in een wereld van dagelijkse sleur. Op de trein dacht ik, mezelf wentelend in mijn typische melancholische stijl, aan de dag terug. Een glimlach bij de meisjes op de bank, die zo nodig moesten reageren als het over ‘ballen afsnijden’ ging. En natuurlijk aan Ben, een van de weinige jongens van wie ik ooit echt gehouden heb. Een week later was het tijd voor een sprookje die avond, met een elfje en een schaapje in de hoofdrol. Ik huiverde en had een nachtmerrie die nacht. Het startschot voor ‘Pornography’ en een nieuw pakje sigaretten.

“Scarred
Your back was turned
Curled like an embryo
Take another face
You will be kissed again
I was cold as I mouthed the words
And crawled across the mirror

I wait
Await the next breath
Your name
Like ice into my heart

A shallow grave
A monument to the ruined age
Ice in my eyes
And eyes like ice don’t move
Screaming at the moon
Another past time

Your name
Like ice into my heart

Everything as cold as life
Can no-one save you?
Everything
As cold as silence
And you will never say a word

Your name
Like ice into my heart”

h1

Een avond vol geschreeuw.

28 februari, 2008

In de verte hoorde ik mensen schreeuwen.

‘Vast afkomstig uit Café Tempeliers’ zei ik al lachend tegen Lisa. Tempeliers, een café in hartje Kortrijk waar mensen na 23u op de tafels staan dansen of elkaar in hevige razernij door het raam gooien. Althans, die reputatie heeft het café (En de daaromliggende kroegen). Ik kreeg zin om op ontdekking te gaan en te zien of ik werkelijk ooggetuige zou zijn van dergelijke taferelen, maar het was relatief rustig in het bruine cafeetje. Enkele mannen, vermoedelijk in hun midlifecrisis, zaten aan de toog veel te straf spul te drinken en rookwaren te nuttigen. En daar bleef het bij. Lisa greep m’n hand vast en aan een gezapig tempo liepen we verder in de richting van het haast oorverdovende geschreeuw.

Wat bleek? Stefaan De Clerck, burgemeester van Kortrijk, had beslist de bewoners van de stad een plezier te doen en de wedstrijd die Kortrijk die avond speelde tegen AA Gent live uit te zenden. Een mooi gebaar, en blijkbaar was de opkomst in die mate dat de helft van Kortrijk op zijn grondvesten daverde. En dat deed het al, met de (letterlijk en figuurlijk) slopende werking voor het bouwen van het nieuwe winkelcentrum. De hele grote markt stond vol supporters om hun ploeg aan te moedigen. Spijtig genoeg kon ik niet blijven. Meisjes (dé meeste toch, voor ik hier tegen iemands schenen schop) zijn namelijk weinig geïnteresseerd in voetbal, en ik ging met haar mee naar het station om achteraf in mijn warme zetel de match van Cercle te volgen.

KVK Fans

De uitkomst voor ‘de vk’ was echter dramatisch. De regel dat voetbal écht onvoorspelbaar kan zijn werd nog maar eens bevestigd. Gent kon de onverhoopte 5-1 achterstand uit de heenwedstrijd goedmaken door voetbalwonder Ruiz en doelpuntenmakers als Maric en Ljubijankic, die luttele seconden voor het einde de 4-0 binnenknalde. Zo werden voetbalwetten nog maar eens gerespecteerd. ‘De grootste ploeg moet altijd winnen’, en zo was het vandaag ook weer. Spijtig genoeg konden enkele supporters zich hier niet bij neerleggen en werd centrum Kortrijk een half slagveld. Ergens spijtig dat Kortrijk supporters zo radicaal zijn: autoramen werden ingeslagen en de geluidsinstallatie van het scherm werd vernietigd (En zo’n zaken kosten naar mijn vermoeden heel veel geld). Wie weet wordt dit de enige en laatste keer voetbal op de grote markt, en zo is 98% van Kortrijk het slachtoffer van enkele relschoppers, die zich de koning van de wereld voelen en het zich willen permitteren even de anarchist uit te hangen. De frustratie kan groot zijn, maar om het op die manier te uiten is wel erg laag.

Nfor deelde klappen uit aan Gentse spelers die dag, maar deelde ook een klap uit aan Kortrijk zelf. De ploeg én de stad. Het was het keerpunt van de wedstrijd, en het keerpunt van de vreugde op het thuisfront. Want plots verdween de Kortrijkse bekerdroom als sneeuw voor de zon, en was het enige waar mensen vanaf die moment weer konden denken het ploeteren in de modder door de vele werken. Het spandoek in de Zwevegemstraat zegt genoeg. Een nieuwe veldrit in Kortrijk is misschien een goed idee om mensen terug tevreden te stemmen?

Spandoek modder.

En zo werd er die nacht waarschijnlijk toch gevochten in café Tempeliers, met enkele kapotte stoelen in het midden van de straat tot gevolg.

h1

“Happy Ending.”

27 februari, 2008

‘Alsof ik in volle jolijt enkele champagneflessen heb ontkurkt.’

Vrij pijnlijk als je voor het eerst terug met je ex praat nadat de relatie abrupt moest eindigen. Je kan het vergelijken met een middeleeuws zeegevecht tussen twee grootmachten die elkaar helemaal van buiten kennen en zelfs respecteren, maar er toch niet voor terugdeinzen de kannonen boven te halen en elkaar zo proberen naar de bodem van de oceaan te knallen. Vreemd genoeg is het een gesprek dat ALTIJD moet plaatsvinden. Dat hoort zo. Zo niet kan je onmogelijk met elkaar verder, zelfs een oppervlakkige vriendschap zou dan mogelijk te veel kunnen zijn. Je moet gewoon de mogelijkheid hebben te vertellen over ergernissen die je gevoeld hebt ten aanzien van elkaar. Je somt ze vluchtig of uitgebreid op, de andere verdedigt en doet hetzelfde, en pas achteraf krijg je soms nog flarden van vurige liefde, al was het maar omdat je tussen al die ergernissen door ook wel met de vele mooie, spannende en opwindende momenten in je achterhoofd zit. En ergens weet je wel dat je die momenten hard, heel hard zal missen.

Enorm frustrerend eigenlijk, hoe vluchtig het leven blijkt te zijn. Als je jong bent zijn er klaarblijkelijk weinig zekerheden. Je hebt een goed lief, vele vrienden, een fijne klas en een half jaar later zit je alleen thuis en zit je lief, ondertussen je ex, met iemand anders (en beter?) te vrijen op dezelfde bank waar je zelf ooit zat te liefkozen. Wat is de waarde dan nog van een relatie? Is het allemaal wel de moeite waard? De eerste dagen na de breuk had ik echt een ‘het kan me gestolen worden’-mentaliteit. Ik wou in de verste verte geen ‘nieuwe kandidaten’ ontvangen. En dat gevoel heb ik nog, enkel wat afgezwakt. Nu, genoeg zieligheid voor een bericht. Of niet?

Gisteren deden we terug normaal tegen elkaar op MSN (of moet ik ‘Live Messenger’ zeggen?). Het was enorm raar eerst, voor ons beiden denk ik. Naweeën zijn nooit aangenaam, maar we weten allemaal dat ook die snel verdwijnen en je vervolgens jezelf normaal gezien weer lekker kunt nestelen in de dagelijkse sleur. Nu nog die postnatale depressie vermijden.

Via Mika misschien?

Nee. Happy Ending.

“Wake up in the morning, stumble on my life
Can’t get no love without sacrifice
If anything should happen, I guess I wish you well
A little bit of heaven, but a little bit of hell.”