Archief voor juni 2008

h1

Essay: spartelen naar volwassenheid.

22 juni, 2008

‘Je wordt echt volwassen’, zegt men wel eens tegen je. Als je na jaren oorlog voeren met tientallen verschillende crèmes het acnémonster overwonnen hebt. Als je ’s ochtends vroeg in bed betrapt wordt door je oudere zus tussen de benen van een blonde, gewillige deerne die je de avond daarvoor op een wild r’n’b-feestje hebt leren kennen. Als je er eigenlijk in slaagt je moeders leven te vatten en blijk kan geven haar te volgen in een gesprek over haar mentale beslommeringen vanaf haar achttiende. Als je zelf bepaalt wanneer het bedtijd is. Of gewoon als je achttien wordt. Want dan mag je stemmen (voor zover dat nog nut heeft dezer dagen), mag je met de auto rijden, mag je in de koffer duiken met wie je wil. Je mag zelfs alleen gaan wonen en je eigen boterham verdienen. Spijtig genoeg is volwassen worden niet zo simpel (meer), en lijken jongeren meer en meer moeite te hebben zichzelf klaar te stomen voor de wildernis der volwassenheid en alle verantwoordelijkheden die daarmee gepaard gaan.

Vroeger was volwassen worden een verplichting. Iets wat automatisch moest gebeuren en waarbij je geen tijd had om erover na te denken. Je mocht er zelfs niet over nadenken. Ik denk dat we allemaal de verhalen van onze grootmoeder of verre tante wel uit het hoofd kennen ondertussen. Na je plechtige communie werd je door je moeder verplicht te gaan werken in een fabriek of bij een hoop nonnen in het klooster. Dat was het minste dat je kon doen om het gezin met tien kinderen boven water te houden, aangezien de enige financiële bron vaak het loon van je vader was, een metser of stukadoor die het moest doen met veel te weinig geld. Van studeren was geen sprake. Je ging werken en werd automatisch volwassen. Je wist hoe hard het leven was, de verantwoordelijkheden die het met zich meebracht, en je was op de leeftijd waarop ik deze tekst schrijf al 5 jaar werkende en mogelijk getrouwd. En als jongen moest je een paar jaar later mogelijk naar het front als soldaat.

Vandaag is de situatie grondig gewijzigd. En gelukkig maar, ik zou me niet eens kunnen inbeelden op te groeien in een vooroorlogse periode, zoals beschreven in de vorige alinea. De generatiekloof lijkt me enorm, en ik kan enkel blijk geven van bewondering voor hun manier van ‘opgroeien’. Maar is het daarom nu echt beter? ik denk het wel. Ik ben er zelfs zeker van, maar de vraag is of dat ons ook helpt in het proces van ouder worden? Vast ook wel. We krijgen enorm veel kansen om ons goed te ontwikkelen, de vraag is eerder of we genoeg karakter hebben om ze met beide handen te grijpen en ons niet laten domineren door de negatieve momenten in de vele puberale ups en downs.

Jongeren moeten ook echt beseffen, willen beseffen, dat ze op jonge leeftijd de funderingen leggen voor hun situatie (en geluk?) later. Met wat geluk of ondernemerschap maak je het misschien toch maar iedereen heeft het bijna letterlijk in mijn kop gehamerd dat studies heel belangrijk zijn, en wie ben ik dan om dat tegen te spreken? De moeilijkheid is eerder het kiezen. Tegenwoordig bestaan er duizenden studiekeuzes over het hele land en moet je beslissen wat en waar je dat gaat dan. Veel jongeren zijn echter onzeker en weten niet wat ze willen. Dit leidt vaak tot vogelpiekkeuzes of keuzes onder het ‘mijn lief gaat daar ook’-motief. Vele jongeren maken het uiteindelijk toch, maar het is ontegensprekelijk dat het niet simpel is keuzes te maken op jonge leeftijd. En dat geldt niet alleen op het vlak van studies. Ook je liefdes- en seksleven, financiële zaken en banale dingen van elke dag dwingen je daartoe, en de luxe van overmaat aan keuze is zo misschien ook wel een negatief punt.

Bovendien zijn vele jongeren nogal verwend dezer dagen. Het Franse ‘pantoufler’ is een werkwoord om de trend aan te duiden waarbij jongeren steeds langer bij hun ouders blijven wonen, soms tot hun vijfentwintigste. Dat is een evolutie, en jongeren weten wel waarom ze het doen. Of ikzelf die weg op wil betwijfel ik ten zeerste, maar het is wel gemakkelijk om luxueus thuis te leven, terwijl jij financieel niets te betalen hebt en je moeder elke dag je boterhammen smeert. Het leven is stilaan duur geworden en om op je eigen poten te staan moet je al heel wat doen, waardoor je mogelijks de tijd voor uitgaan of andere vrije tijd kwijtspeelt. Velen zien wat op tegen het zelfstandige, vrije leven. Want ook dat kan aangenaam zijn, denk ik, en eens je weet dat je het zelfstandig kunt klaren, geeft dat ongetwijfeld genoeg voldoening om ermee door te gaan en ben je gelanceerd om je rest van je leven zelf te leiden. Op een gegeven leeftijd snak je ook gewoon naar zelfstandigheid. Ik heb dat gevoel althans, en ik ben nog steeds maar 18 jaar oud.

Sommige jongeren gedragen zich thans al volwassen en zelfstandig op vrij jonge leeftijd. Ze zijn arrogant en experimenteren vaak al om de haverklap met drugs, seks & rock n’ roll. Ze willen zich afscheiden van hun ouderlijke juk en rebelleren zoveel ze kunnen. Maar zoiets noemt men eerder puberen. Achteraf beseffen velen pas dat ze het thuis verre van slecht hebben en eigenlijk nog niet helemaal volwassen zijn. Het is misschien wel een belangrijk stadium dat jongeren moeten doorspartelen om volwassen te kunnen worden. En gelukkig geraken ze erdoor, want je loopt bij voorkeur mooi in de rij om het te kunnen maken zonder problemen. Zelfdiscipline en motivatie zijn belangrijk, en als die waarden niet in je zitten of je hebt ze simpelweg niet meegekregen van thuis, zal je hard moeten knokken.

‘Ouder worden is treurig, maar volwassen worden is prettig.’ Woorden uit de mond van Brigitte Bardot. Een uitspraak die voor velen opgaat, maar velen, net als ik, beleven het volwassen worden eerder met gemengde gevoelens. De drang naar autonomie kan groot zijn, maar aan de andere kant besef je dat het gemakkelijk is er om jong te zijn, bijna zorgeloos en zonder verantwoordelijkheden, al weet je ook wel dat je ooit de stap moet zetten. En als het gebeurt, gebeurt het voor de meesten gelukkig op een verstandige manier. En als dat niet het geval is, heb je nog het geluk in België te wonen, waar de sociale vangnetten zodanig groot zijn dat je er de Atlantische oceaan mee kan leegvissen. En daar zwemmen heel wat vissen, zowel grote als kleine.

h1

Gewoon ‘ongewoon’.

20 juni, 2008

Iedere stad heeft zo zijn eigen mensen, zijn eigen gewoontes en dus ook zijn eigen sfeer. En dat voel je vooral in een stad die zo’n 130 kilometer van je verwijderd is. Maar voor de liefde verlegt een mens graag zijn grenzen, en in voorbereiding van mijn examens had ik nood aan een namiddag vol zachte lippen, ingefluisterde liefdesverklaringen en puberale opwinding.

Ik was in Leuven, en ik was verdomd blij dat ik er geraakt was. Want daaraan had ik eerlijk gezegd enorm getwijfeld. Voor een keer was ik op tijd opgestaan en was ik op tijd in het station geraakt om mijn te duur ticket te kopen en op de trein te springen. De treinen reden vandaag dus wel, en ik was op tijd, dus er kon niets fout lopen. Of toch? Door ‘werken’ (en ik heb daar al slechte ervaringen mee aangezien ze in mijn thuisstad ook niets anders doen dan ‘werken’) had de trein een vertraging van een halfuurtje, waardoor ik het landschap tussen Gent en Brussel nog nooit zo gedetailleerd heb kunnen bestuderen en aanschouwen.

Een ding wou ik zeker niet: ‘Sex and the city’. Mensen kunnen me misschien een janet vinden, maar dat gaat echt wel te ver. Dan maar een film waarvan ik de titel en de inhoud nu al vergeten ben. Twee dingen weet ik nog: dat ik op bepaalde momenten enorm hard gelachen heb, en dat er meisjes naast me zaten die lachten met mijn accent. ‘Den elletric’. Toch overduidelijk wat dat betekent? En dan was er nog mijn aantreden in de panos. ‘Twee choclakoekn’. ‘Wat, twee appelflappen?’ Ofwel heeft heel Leuven een appelfetisj, ofwel zitten hun oren volgestouwd met vet.

Na de film, waarvan ik een halfuur gemist, omdat iemand naast me het nodig vond me op te geilen gingen we op weg naar het station. Geen wonder dat ik me quasi niets van de films herinner. Hoeft ook niet, ik vond de combinatie van de twee overheersende beelden die dag aangenaam. Dus, de Bondgenotenlaan voor de vijfenzestigste keer, tot we in het station waren, het begin van het einde.

Een nogal uitgewaaid type, ongetwijfeld afkomstig uit een van de maghreblanden, zat me constant aan te gapen, afgewisseld met blikken van ‘ik wil je.’ Meestal zou ik nooit uitpakken met zo’n praat, maar geloof me dat dit een uniek voorval is en ik nog nooit het voorstel heb gekregen om in Brussel van bil te gaan. Want dat vroeg hij, in het Frans. Hij had vast een tocht gemaakt doorheen ‘het land waar alles mogelijk is’. Hij stond waarschijnlijk al uren rond te cirkelen, op zoek naar een fuckbuddy om de avond mee door te brengen. Ben vond me te diplomatisch. Hij vroeg me ‘Tu ne veux pas y aller avec moi? Je connais des clubs de gays et des saunas’. Ik antwoordde : ‘Et ils sont tous nus là bas ?’ waarna ik hem diplomatisch afscheepte door te zeggen dat ik samen was met Ben, die naast me stond. We liepen weg en Ben begon paniekerig te schreeuwen. ‘Nog vijf seconden en ik had in zijn kloten gestampt’. Heerlijk, die Brabantse arrogantie en brutaalheid, al ben ik blij dat ik voor de zachte aanpak gegaan was. ‘Moet ik nu niet gevleid zijn?’ dacht ik maar ik zei het niet aangezien hij non-stop aan het freaken was en het woord ‘pedo’ in de mond nam. ‘In de mond nam’, moet die kerel ook gedacht hebben. Niet vanavond, schat, en zeker niet met mij. Sorry, en succes nog.

Daarmee was de kous nog niet af. Natuurlijk had ik toen mijn trein al gemist, en ook mijn volgende zou ik missen, om op de oude markt in het rockcafé lastig gevallen te worden door een vent die zodanig dronken was dat hij het verschil tussen het Atomium en de Eifeltoren nooit meer zou opmerken. Hij vond Ben lekker, maar stelde niet voor elkaar af te zuigen in een sauna in Brussel. Gelukkig maar, of ik had zijn pils afgenomen, de klootzak. Hij werd op straat gegooid en op zo’n moment dacht ik echt van ‘wat doe ik hier in godsnaam nog?’ Ik kon het nauwelijks nog aanzien. ‘Kom Ben, we gaan.’ En dat deden we, terug op weg naar het station, wederom doorheen de Bondgenotenlaan.

Je kan veel zeggen, maar het was op z’n minst en avontuur, en dat in een wereld van dagelijkse sleur. Op de trein dacht ik, mezelf wentelend in mijn typische melancholische stijl, aan de dag terug. Een glimlach bij de meisjes op de bank, die zo nodig moesten reageren als het over ‘ballen afsnijden’ ging. En natuurlijk aan Ben, een van de weinige jongens van wie ik ooit echt gehouden heb. Een week later was het tijd voor een sprookje die avond, met een elfje en een schaapje in de hoofdrol. Ik huiverde en had een nachtmerrie die nacht. Het startschot voor ‘Pornography’ en een nieuw pakje sigaretten.

“Scarred
Your back was turned
Curled like an embryo
Take another face
You will be kissed again
I was cold as I mouthed the words
And crawled across the mirror

I wait
Await the next breath
Your name
Like ice into my heart

A shallow grave
A monument to the ruined age
Ice in my eyes
And eyes like ice don’t move
Screaming at the moon
Another past time

Your name
Like ice into my heart

Everything as cold as life
Can no-one save you?
Everything
As cold as silence
And you will never say a word

Your name
Like ice into my heart”